ECLI:NL:CRVB:2021:3216
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugwerkende kracht van vijf jaar bij herziening ouderdomspensioen AOW
Appellante kreeg in 2006 een ouderdomspensioen toegekend met een korting wegens niet-verzekerde jaren. Na nieuw ingediende gegevens besloot de Sociale verzekeringsbank (Svb) in 2020 het pensioen te herzien met een lagere korting en een terugwerkende kracht vanaf februari 2019. Na bezwaar stelde de Svb de terugwerkende kracht vast op vijf jaar, ingaand vanaf februari 2015.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat de Svb haar beleid juist had toegepast en er geen bijzondere omstandigheden waren voor een langere terugwerkende kracht. In hoger beroep betwist appellante dit en vordert zij een terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2006.
De Raad oordeelt dat het oorspronkelijke besluit onjuist maar rechtens onaantastbaar is en dat de beleidsregel SB1076 van de Svb, die een maximale terugwerkende kracht van vijf jaar toestaat, hier terecht wordt toegepast. De redenen van appellante voor een langere terugwerkende kracht worden niet als bijzondere omstandigheden aangemerkt. Ook het feit dat appellante pas in 2020 opnieuw navraag deed, is voor haar eigen risico.
De Raad bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en wijst het beroep af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de vijfjarige terugwerkende kracht van de Svb terecht is toegepast en wijst het beroep van appellante af.