ECLI:NL:CRVB:2023:1568
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek loskoppeling aanvullende beurs wegens onvoldoende bijkomende omstandigheden
Appellant vroeg bij de minister om geen rekening te houden met het inkomen van zijn vader bij de vaststelling van zijn aanvullende beurs vanaf 1 januari 2019, wegens een verstoorde relatie. De minister wees dit verzoek af, wat door appellant werd aangevochten bij de rechtbank Den Haag. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat niet was voldaan aan de wettelijke criteria voor loskoppeling, met name het ontbreken van een ernstig en structureel conflict of geen wezenlijk contact.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij sinds zijn twaalfde jaar geen wezenlijk contact meer had met zijn vader en dat er sprake was van ernstige relatieproblemen en een loyaliteitsconflict. De Raad onderzocht de wettelijke voorwaarden voor loskoppeling, waarbij duurzaam geen wezenlijk contact vanaf het twaalfde jaar vereist is, en daarnaast een uitzonderlijke situatie van een fundamenteel en structureel conflict met bijkomende omstandigheden.
De Raad concludeerde dat appellant ondanks een verstoorde relatie en het feit dat het contact pas eind 2016 verbroken werd, niet voldeed aan de strenge criteria. Er was nog sprake van persoonlijk contact, onder meer door samenwonen en contact bij voetbalwedstrijden. Daarnaast ontbraken voldoende bijkomende omstandigheden zoals fysiek of geestelijk geweld, ernstige psychische klachten of aantoonbare studievertraging.
Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd. De Raad benadrukte dat het systeem van de Wsf 2000 uitgaat van ouderlijke verantwoordelijkheid en dat loskoppeling slechts in uitzonderlijke gevallen wordt toegekend. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om loskoppeling van het ouderlijk inkomen bij de aanvullende beurs wordt afgewezen wegens onvoldoende bijkomende omstandigheden.