ECLI:NL:CRVB:2017:3542
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verzoek loskoppeling aanvullende beurs wegens contact met vader
Appellante verzocht de minister om bij de vaststelling van haar aanvullende beurs geen rekening te houden met het inkomen van haar vader, op grond van de loskoppelingsgronden uit het Besluit studiefinanciering 2000 (Bsf 2000). De minister wees dit verzoek af, en de rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
Appellante voerde aan dat het contact met haar vader oppervlakkig en incidenteel was, dat de verblijfplaats van haar vader niet achterhaald kon worden, en dat de situatie vergelijkbaar was met niet-inbare alimentatie. De Raad oordeelde dat de contacten via Facebook en persoonlijke ontmoetingen in 2014, ondanks hun oppervlakkige aard, niet voldoen aan de voorwaarde van geen (wezenlijk) contact zoals bedoeld in het Bsf 2000.
Verder stelde de Raad vast dat niet-inbare alimentatie alleen geldt indien alimentatie is vastgesteld, wat hier niet het geval was. Ook al is de verblijfplaats van de vader onbekend, omdat er contact is, is hij niet onvindbaar in de zin van de regeling. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het verzoek tot loskoppeling van het inkomen van de vader bij de aanvullende beurs wordt afgewezen omdat er wel degelijk contact is.