Appellante ontving bijzondere bijstand voor de kosten van haar bewindvoerder, benoemd door de kantonrechter. De gemeente Groningen wijzigde in 2018 haar beleid en stelde dat inwoners kosteloos bewindvoering konden krijgen via de Groningse Kredietbank (GKB), waardoor bijzondere bijstand voor andere bewindvoerders werd stopgezet tenzij men overstapte naar de GKB. Appellante wilde echter haar huidige bewindvoerder behouden vanwege een vertrouwensband, maar kon deze niet meer betalen nadat de bijzondere bijstand werd beëindigd.
De kantonrechter benoemde de GKB niet als bewindvoerder, waardoor appellante geen gebruik kon maken van deze voorliggende voorziening. De Raad oordeelde dat de gemeente appellante niet kon dwingen tegen haar zin de kantonrechter te verzoeken haar bewindvoerder te ontslaan en de GKB te benoemen. Het besluit om de bijzondere bijstand te beëindigen was daarom onjuist en niet deugdelijk onderbouwd.
De Centrale Raad van Beroep vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, herstelde het recht op bijzondere bijstand vanaf 20 augustus 2020, en veroordeelde het college tot betaling van proceskosten. Hiermee werd de belangenafweging rondom bewindvoering en bijzondere bijstand in het licht van het individuele geval bevestigd.