ECLI:NL:CRVB:2022:569
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek bij fibromyalgie
Appellante, voormalig medewerker callcenter, meldde zich ziek met gezondheidsklachten en ontving aanvankelijk een WGA-uitkering. Na een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid stelde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid vast en beëindigde de uitkering toen deze onder de 35% kwam. Appellante voerde bezwaar en beroep aan tegen deze beslissing, stellende dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was, onder meer vanwege het ontbreken van lichamelijk onderzoek en het niet opvragen van informatie bij behandelaars.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, mede omdat fibromyalgie zich kenmerkt door klachten zonder concrete lichamelijke afwijkingen, waardoor lichamelijk onderzoek geen meerwaarde had. De verzekeringsarts had de functionele mogelijkheden van appellante correct vastgesteld en de arbeidsdeskundige had gemotiveerd dat de geselecteerde functies geschikt waren en geen solitaire functies vormden.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar situatie verslechterd was en dat de beperkingen onderschat waren, onderbouwd met een verklaring van de Vermoeidheidkliniek. De Centrale Raad volgde echter de rechtbank en het UWV, oordelend dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig en voldoende gemotiveerd was. Er was geen aanleiding voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige. Het hoger beroep werd afgewezen en de beëindiging van de WGA-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de WGA-uitkering van appellante heeft beëindigd wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.