ECLI:NL:CRVB:2022:302
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WIA-uitkering en medisch onderzoek door verzekeringsarts in opleiding
Appellant, werkzaam als schoonmaker, meldde zich ziek met nekklachten na een verkeersongeval en vroeg meerdere malen om een WIA-uitkering. Het UWV weigerde deze uitkering omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg. Appellant maakte bezwaar en beroep, maar deze werden ongegrond verklaard. In hoger beroep stelde appellant dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was omdat het was uitgevoerd door een verzekeringsarts in opleiding en dat zijn belastbaarheid onderschat was, mede op basis van een psychiatrisch rapport.
De Raad overwoog dat appellant afstand had gedaan van het recht om gehoord te worden en dat het onderzoek door de verzekeringsarts in opleiding ondertekend was door een verzekeringsarts bezwaar en beroep. Dit maakte het onderzoek voldoende zorgvuldig. De Raad oordeelde dat er geen sprake was van toegenomen beperkingen in de periode augustus 2016 tot juli 2018 en dat het psychiatrisch rapport onvoldoende aanleiding gaf om het oordeel te wijzigen.
Hoewel het bestreden besluit een ondeugdelijke motivering bevatte, werd dit gebrek gepasseerd omdat het geen nadelig effect had op appellant. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellant. Het griffierecht werd eveneens aan appellant vergoed.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.