ECLI:NL:CRVB:2022:1880
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Veroordeling UWV en Staat tot schadevergoeding en proceskosten wegens overschrijding redelijke termijn
De zaak betreft een hoger beroep tegen een beslissing van het UWV inzake een WIA-uitkering. Na een tussenuitspraak van de Raad en een gewijzigde beslissing op bezwaar door het UWV, heeft appellant het hoger beroep ingetrokken en verzocht om veroordeling van het UWV in de proceskosten.
De Raad oordeelde dat het UWV in de proceskosten moest worden veroordeeld omdat het bestuursorgaan aan appellant was tegemoetgekomen. De proceskosten voor beroep en hoger beroep werden begroot op in totaal €3.036,- plus reiskosten van €18,80. Vergoeding van kosten in de bezwaarprocedure werd afgewezen omdat daarvoor geen verzoek was gedaan.
Verder werd vastgesteld dat de redelijke termijn van de procedure van bijna vijf jaar met bijna elf maanden was overschreden. De overschrijding werd verdeeld tussen de Staat (3 maanden) en het UWV (8 maanden) volgens vaste jurisprudentie. De schadevergoeding werd vastgesteld op €1.000,-, waarvan €272,73 voor rekening van de Staat en €727,27 voor het UWV.
Daarnaast werden de Staat en het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten verband houdend met het schadevergoedingverzoek, respectievelijk €189,75 elk. Het griffierecht kan appellant rechtstreeks bij het UWV verhalen. De uitspraak werd gedaan door rechter E. Dijt op 24 augustus 2022.
Uitkomst: De Raad veroordeelt UWV en de Staat tot betaling van schadevergoeding en proceskosten wegens overschrijding van de redelijke termijn.