Uitspraak
21.1063 AW
OVERWEGINGEN
- het optreden van appellant – onheuse bejegening van burgers – en zijn taalgebruik;
- het feit dat appellant in twee gevallen burgers heeft bedreigd.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant, sinds 1984 werkzaam bij de politie, werd geconfronteerd met klachten over onheuse bejegening van burgers en ongepast taalgebruik. Na een oriënterend en intern onderzoek werd hij in 2017 buiten functie gesteld en in 2018 onvoorwaardelijk ontslagen wegens plichtsverzuim.
De gedragingen betroffen onder meer seksueel getinte opmerkingen, bedreigende e-mails, een intimiderende houding tegenover collega’s en ongepaste gedragingen richting burgers. Appellant maakte bezwaar tegen het ontslag, maar dit werd door de korpschef ongegrond verklaard en door de rechtbank bevestigd.
In hoger beroep betwistte appellant dat alle gedragingen plichtsverzuim vormden en voerde hij verminderd toerekenbaar plichtsverzuim en het vertrouwensbeginsel aan. De Raad oordeelde dat één gedraging (bedreigende e-mail) geen plichtsverzuim opleverde, maar de overige gedragingen wel, en dat appellant deze gedragingen toerekenbaar zijn.
De Raad verwierp het beroep op het vertrouwensbeginsel en oordeelde dat het ontslag niet onevenredig is gezien de ernst van de gedragingen en eerdere waarschuwingen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het onvoorwaardelijk strafontslag van appellant wegens ernstig en toerekenbaar plichtsverzuim wordt bevestigd.