ECLI:NL:CRVB:2014:4155
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onvoorwaardelijk ontslag wegens ernstig plichtsverzuim niet evenredig verklaard
Appellant, werkzaam sinds 1976 bij een overheidsinstelling, werd geschorst en onvoorwaardelijk ontslagen wegens ernstig plichtsverzuim. Dit betrof het onterecht ontvangen van een te hoge reiskostenvergoeding, onjuiste declaraties van maaltijdvergoedingen en onrechtmatig gebruik van een dienstauto voor privédoeleinden en woon-werkverkeer.
De rechtbank had het ontslag bevestigd, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt dat twee van de drie gedragingen terecht als plichtsverzuim zijn aangemerkt, doch dat vanwege de psychische gesteldheid van appellant sprake is van verminderde toerekenbaarheid. De straf van onvoorwaardelijk ontslag is daardoor niet evenredig aan de ernst van het plichtsverzuim.
De Raad vernietigt het besluit tot ontslag en beveelt de staatssecretaris een nieuw besluit te nemen. De schorsing en inhouding van bezoldiging worden bevestigd omdat er sprake was van een concrete verdenking en appellant niet aannemelijk maakte dat hij hierdoor in onoverkomelijke financiële problemen is geraakt.
De staatssecretaris wordt veroordeeld in de kosten van appellant en moet het betaalde griffierecht vergoeden. De Raad bepaalt dat tegen het nieuwe besluit alleen beroep bij de Raad kan worden ingesteld.
Uitkomst: Het onvoorwaardelijk ontslag wordt vernietigd wegens disproportionaliteit en verminderde toerekenbaarheid; schorsing en inhouding bezoldiging blijven gehandhaafd.