Appellante was sinds 2005 werkzaam bij het dagelijks bestuur van de GGD Hollands Noorden en werd in 2011 zonder relevante opleiding geplaatst in een nieuwe functie met een veelheid aan taken en zonder de benodigde begeleiding. Na meerdere ziekmeldingen wegens angst- en stemmingsklachten stelde zij dat haar arbeidsongeschiktheid het gevolg was van de werkomstandigheden.
Het dagelijks bestuur stelde dat er geen sprake was van buitensporige werkomstandigheden en wees het verzoek om vaststelling van arbeidsongeschiktheid in en door de dienst af. De rechtbank bevestigde dit oordeel. In hoger beroep oordeelt de Raad anders en stelt vast dat de werkomstandigheden objectief bezien een buitensporig karakter hadden, mede door de hoge werkdruk, onduidelijke kaders, het ontbreken van begeleiding en een disfunctionerende leidinggevende.
De Raad volgt de vaste rechtspraak dat bij psychische arbeidsongeschiktheid de aanwezigheid van objectief buitensporige werkomstandigheden leidt tot de vooronderstelling van een causaal verband, tenzij een evident andere oorzaak medisch is vastgesteld. Het dagelijks bestuur slaagde er niet in een andere oorzaak aannemelijk te maken. De Raad vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat appellante recht heeft op een aanvullende uitkering. Tevens veroordeelt de Raad het dagelijks bestuur in de kosten van appellante.