ECLI:NL:CRVB:2021:2866
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verrekening eenmalige tegemoetkoming met WW- en ZW-uitkering ondanks beroep op vertrouwensbeginsel
Appellante ontving een WW-uitkering gevolgd door een ZW-uitkering. Het UWV kende een eenmalige tegemoetkoming toe vanwege nieuwe dagloonregels voor de WW-uitkering. Later werd het dagloon voor zowel WW als ZW herzien, waarna het UWV de tegemoetkoming verrekende met nabetalingen van beide uitkeringen.
Appellante stelde dat het UWV zich niet aan de toezegging hield dat het resterende bedrag na verrekening alleen met de WW-uitkering zou worden verrekend en niet met de ZW-uitkering. De rechtbank wees dit beroep af, en ook in hoger beroep werd het beroep op het vertrouwensbeginsel verworpen.
De Raad oordeelde dat de toezegging in het besluit van 8 mei 2018 aan het UWV kan worden toegerekend, maar dat zwaarder wegende belangen, waaronder wettelijke grondslagen en het voorkomen van dubbele uitbetaling, een verrekening met de ZW-uitkering rechtvaardigen. Bovendien had appellante geen schade geleden door haar vertrouwen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de verrekening van de tegemoetkoming met zowel WW- als ZW-uitkering wordt bevestigd.