Uitspraak
20 1824 WAJONG, 20/1825 WAJONG
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk voor zover dat betrekking heeft op de waarschuwing;
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving in de periode van 22 december 2015 tot en met 31 mei 2017 inkomsten uit een Persoonsgebonden Budget (PGB) die niet waren gemeld aan het Uwv. Het Uwv bracht deze inkomsten met terugwerkende kracht in mindering op de Wajong-uitkering en vorderde een bedrag van € 9.487,66 bruto terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze besluiten ongegrond en oordeelde dat het Uwv terecht heeft gehandeld.
In hoger beroep stelde appellante dat zij geen inlichtingenplicht had geschonden en dat het Uwv onrechtmatig verkregen bankgegevens had gebruikt. De Raad oordeelde dat appellante geen procesbelang had bij het hoger beroep tegen de waarschuwing, omdat deze geen nadelige gevolgen meer heeft. Verder werd bevestigd dat de terugvordering terecht was, omdat het voor appellante duidelijk had moeten zijn dat zij een te hoge uitkering ontving. De stelling over onrechtmatig verkregen bewijs werd verworpen omdat deze bankgegevens niet voor de besluiten waren gebruikt.
De Raad volgde de rechtbank ook in het oordeel dat geen dringende redenen bestonden om van terugvordering af te zien en dat het beroep op het vertrouwensbeginsel en verjaring niet slaagde. Het hoger beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard voor de waarschuwing en afgewezen voor de terugvordering, waarmee de bestreden uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: Hoger beroep niet-ontvankelijk voor waarschuwing en bevestigd terugvordering Wajong-uitkering.