ECLI:NL:CRVB:2021:2198
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor schuldaflossing wegens ontbreken zeer dringende redenen
Appellante vroeg bijzondere bijstand aan voor de aflossing van een schuld aan het UWV, ontstaan door terugvordering van een WW-uitkering. Het college wees de aanvraag af op grond van artikel 13 lid 1 onder Pro g van de Participatiewet, dat bijstand voor schuldaflossing in principe uitsluit.
Appellante stelde dat er zeer dringende redenen bestonden om toch bijstand te verlenen, onder meer vanwege haar chronische aandoening en de financiële last van de schuld. De Raad overwoog dat het begrip 'zeer dringende redenen' in artikel 49 lid Pro b van de Participatiewet een uitzonderingskarakter heeft en alleen geldt als de schulden de bestaansvoorziening daadwerkelijk bedreigen, bijvoorbeeld bij dreigende huisuitzetting of afsluiting van nutsvoorzieningen.
De Raad concludeerde dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat haar schuld haar bestaansvoorziening bedreigde. Zij had een betalingsregeling getroffen en kon haar medische kosten dekken met andere vormen van bijzondere bijstand. Ook het feit dat de schuld niet aan haar te wijten was en dat zij nog jaren moest aflossen, vormde geen zeer dringende reden.
Daarom bevestigde de Centrale Raad van Beroep het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam, en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van bijzondere bijstand wegens het ontbreken van zeer dringende redenen.