ECLI:NL:CRVB:2020:949
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling zorgovereenkomst als arbeidsovereenkomst voor WIA-dagloonberekening
Appellant was werkzaam bij verschillende werkgevers en had daarnaast een zorgovereenkomst met zijn partner waarbij hij negen uur per week begeleiding gaf tegen een vergoeding uit een persoonsgebonden budget (pgb). Het Uwv heeft bij de vaststelling van het WIA-dagloon deze inkomsten niet als loon uit dienstbetrekking meegenomen, omdat er onvoldoende aanwijzingen zijn voor een arbeidsovereenkomst.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de zorgovereenkomst niet als privaatrechtelijke dienstbetrekking kan worden aangemerkt. De Raad toetste in hoger beroep of sprake was van een arbeidsovereenkomst, waarbij het criterium van gezagsverhouding, loonbetaling en persoonlijke arbeid centraal staan.
De Raad concludeerde dat ondanks de aanwijzingen van appellant, zoals het aanwijzen van werkzaamheden door zijn partner, onvoldoende feiten zijn aangevoerd om een gezagsverhouding en daarmee een arbeidsovereenkomst aan te nemen. De situatie verschilt wezenlijk van eerdere uitspraken waarbij professionele zorgverleners betrokken waren.
Daarom bevestigt de Raad het oordeel van de rechtbank dat de inkomsten uit de zorgovereenkomst niet als loon uit dienstbetrekking gelden en wijst het verzoek om schadevergoeding af. De uitspraak is openbaar gedaan op 15 april 2020.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de inkomsten uit de zorgovereenkomst geen loon uit dienstbetrekking zijn en wijst het beroep en schadevergoedingsverzoek af.