ECLI:NL:CRVB:2020:156
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen werknemer in de zin van de WW bij zorgverlening aan broer onder curatele
Appellant verleende vanaf 2005 zorg aan zijn broer, die een lichamelijke beperking heeft, en ontving hiervoor loon via een persoonsgebonden budget. Op 15 december 2015 werd de broer onder curatele gesteld, waarbij appellant mede-curator werd. Na een conflict stopte appellant in maart 2016 met de zorgverlening en vroeg hij per 1 augustus 2016 een WW-uitkering aan.
Het UWV wees de aanvraag af omdat appellant niet voldeed aan de wekeneis en niet verzekerd was volgens de WW. De rechtbank en het hof oordeelden dat er geen arbeidsovereenkomst bestond omdat er geen gezagsverhouding was. De curatele maakte het onverenigbaar dat de broer gezag zou uitoefenen over appellant.
In hoger beroep stelde appellant dat wel sprake was van een arbeidsovereenkomst, onderbouwd met arbeidsovereenkomsten, loonstroken en de vermelding van een dienstverband in Suwinet. De Raad oordeelde echter dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat vanaf 1 juli 2008 een privaatrechtelijke dienstbetrekking bestond, mede omdat de curatele vanaf 15 december 2015 feitelijk het gezag deed vervallen.
De Raad bevestigde het besluit van het UWV dat appellant geen recht heeft op een WW-uitkering per 1 augustus 2016. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Appellant heeft geen recht op een WW-uitkering omdat geen sprake was van een werknemer in de zin van de WW.