ECLI:NL:CRVB:2020:902
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging zorgvuldig medisch onderzoek en juiste vaststelling arbeidsongeschiktheid WIA-uitkering
Appellant, laatstelijk werkzaam als persoonlijk begeleider, meldde zich in 2008 ziek met psychische klachten en ontving vanaf 2010 een WGA-uitkering. Na verbetering van zijn gezondheid beëindigde het UWV in 2017 de uitkering, maar stelde na bezwaar een arbeidsongeschiktheid van 37,51% vast. Appellant ging in beroep tegen deze vaststelling.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) niet waren onderschat. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij verdergaande beperkingen had, met name op persoonlijk en sociaal functioneren, en dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig was geweest.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank in haar oordeel. De Raad stelde vast dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de aanvullende medische informatie inzichtelijk en deugdelijk had gemotiveerd en dat deze informatie paste binnen het bekende beeld zonder aanleiding tot aanpassing van de belastbaarheid. De subjectieve klachten van appellant kregen geen doorslaggevende betekenis. Ook de geschiktheid van de geselecteerde functies werd bevestigd.
De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de arbeidsongeschiktheid van appellant terecht heeft vastgesteld op 37,51%.