Appellant ontving bijstand en stond ingeschreven op een uitkeringsadres te Rotterdam. Na een onderzoek naar zijn verblijfplaats, waarbij bleek dat zijn woning was ontruimd, stelde het college het recht op bijstand op verschillende momenten opgeschort en ingetrokken wegens het niet nakomen van de inlichtingenverplichting.
Het college vorderde de bijstand terug en verhoogde dit bedrag door brutering, waarbij appellant bezwaar maakte. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak deels. De Raad oordeelt dat de formele rechtskracht van het intrekkingsbesluit alleen ziet op de rechtsgevolgen en niet op de feitelijke en juridische oordelen die daaraan ten grondslag liggen.
De Raad stelt vast dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat hij niet langer op het uitkeringsadres verbleef, zodat de terugvordering over 13 oktober tot 17 december 2017 terecht is. Echter, de terugvordering over 18 tot 31 december 2017 is ontstaan buiten toedoen van appellant doordat het college de bijstand ondanks opschorting toch betaalde. Daarom is de brutering over deze periode onterecht en vernietigt de Raad het besluit hierover.
De Raad draagt het college op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen over deze brutering en bepaalt dat tegen dit nieuwe besluit alleen beroep bij de Raad mogelijk is. Tevens veroordeelt de Raad het college in de proceskosten van appellant.