ECLI:NL:CRVB:2020:3231
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing van aanvragen algemene bijstand wegens niet aannemelijk maken hoofdverblijf en weigering huisbezoek
Appellante diende twee aanvragen om algemene bijstand in, waarbij zij respectievelijk woonachtig verklaarde te zijn op twee verschillende adressen. Het dagelijks bestuur wees beide aanvragen af omdat appellante niet aannemelijk maakte dat zij daadwerkelijk op het opgegeven eerste adres woonde en omdat zij niet meewerkte aan een huisbezoek op het tweede adres.
De Raad overwoog dat het hoofdverblijf het zwaartepunt van het persoonlijke leven is en dat dit moet worden vastgesteld aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Uit bankafschriften bleek dat appellante voornamelijk in de eerste woonplaats betaalde en tegenstrijdige verklaringen gaf over huurbetalingen. Ook ontbrak een huurovereenkomst. Ten aanzien van het tweede adres bestond een redelijke grond voor het huisbezoek vanwege tegenstrijdigheden in haar verklaringen, het adres op bankafschriften en het geringe pinverkeer in de tweede woonplaats.
Omdat appellante niet meewerkte aan het huisbezoek, kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld. De Raad verwierp de gronden van appellante en bevestigde de eerdere uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de aanvragen om bijstand wegens onvoldoende aannemelijkheid van het hoofdverblijf en weigering medewerking huisbezoek.