Uitspraak
18 2606 PW, 19/1631 PW, 19/2334 PW
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
€ 350,- als lening voor levensonderhoud moet worden aangemerkt en daarom niet op de bijstand in mindering mag worden gebracht.
Centrale Raad van Beroep
Appellant diende op 18 april 2017 een aanvraag om bijstand in na het faillissement van zijn garagebedrijf. De eerste aanvraag werd afgewezen omdat appellant onvoldoende duidelijkheid gaf over zijn financiële situatie, mede door het feit dat tientallen voertuigen nog op zijn naam stonden geregistreerd zonder verifieerbare bewijsstukken van waarde of eigendomsoverdracht.
Na een tweede aanvraag verleende het dagelijks bestuur bijstand, waarbij rekening werd gehouden met bijschrijvingen van X op de bankrekening van appellant. De Centrale Raad oordeelde dat leningen die appellant ontving van X, met vermelding 'lening' of 'lenen', aannemelijk waren gemaakt als leningen voor levensonderhoud en daarom niet als inkomen in mindering mochten worden gebracht. Een bijschrijving onder de vermelding 'voor huur' werd echter wel als inkomen aangemerkt.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraken van de rechtbank Zeeland-West-Brabant en verwierp het hoger beroep van appellant tegen de afwijzing van de eerste aanvraag en het incidenteel hoger beroep van het dagelijks bestuur tegen de bijstandstoekenning. De uitspraak benadrukt het belang van duidelijke financiële informatie bij bijstandsaanvragen en de voorwaarden waaronder leningen als middelen voor levensonderhoud worden erkend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de eerste bijstandsaanvraag en wijst het hoger beroep tegen de gedeeltelijke toekenning van bijstand af.