ECLI:NL:CRVB:2020:2768
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling onredelijke late ingebrekestelling bij niet tijdig beslissen op aanvragen
Appellant diende op 31 december 2016 aanvragen in voor een woonkostentoeslag en een vrijwilligersbonus. De beslistermijn verstreek op 27 februari 2017, waarna appellant het college op 24 juni 2017 in gebreke stelde wegens het niet tijdig beslissen. Het college weigerde een dwangsom toe te kennen omdat de ingebrekestelling onredelijk laat was.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dat besluit ongegrond. In hoger beroep stond centraal of het college terecht geen dwangsom verschuldigd was wegens een onredelijke late ingebrekestelling. De Raad oordeelde dat de termijn van bijna zeventien weken tussen het verstrijken van de beslistermijn en de ingebrekestelling aanzienlijk langer was dan de in de wetsgeschiedenis bedoelde 'hooguit enkele weken'.
Verder bleek uit de stukken dat appellant vóór de ingebrekestelling geen contact had gezocht met het college over de uitblijvende beslissing. De Raad verwierp het beroep op eerdere jurisprudentie omdat die op andere rechtsvragen betrekking had en concludeerde dat het college terecht geen dwangsom hoefde te betalen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het college geen dwangsom verschuldigd is vanwege een onredelijk late ingebrekestelling.