ECLI:NL:CRVB:2022:2687
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op ziekengeld en schadevergoeding wegens termijnoverschrijding in hoger beroep tegen UWV-besluit
Appellante, werkzaam als zorgverlener, meldde zich per 21 april 2017 ziek en ontving aanvankelijk een Ziektewetuitkering die per 15 juni 2017 werd beëindigd omdat zij als arbeidsgeschikt werd beschouwd. Na meerdere ziekmeldingen en bezwaarprocedures stelde het UWV dat appellante per 30 juni 2017 geen recht had op ziekengeld. Appellante stelde het UWV onredelijk laat in gebreke en verzocht om een dwangsom en schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Raad oordeelt dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat appellante vanaf 30 juni 2017 niet ziek was en geen recht had op ziekengeld. De medische rapporten van verzekeringsartsen ondersteunen dit standpunt, waarbij is vastgesteld dat de klachten van appellante niet waren verslechterd in de relevante periode. Het verzoek om een dwangsom wordt afgewezen omdat appellante het UWV pas bijna tien maanden na het verstrijken van de beslistermijn in gebreke heeft gesteld, wat onredelijk laat is.
De Raad vernietigt het besluit van 17 oktober 2019 dat het bezwaar niet-ontvankelijk verklaarde, omdat het UWV dit standpunt in hoger beroep heeft laten vallen. Het beroep tegen het besluit van 17 december 2021 wordt ongegrond verklaard. Wel is vastgesteld dat het UWV de redelijke termijn heeft overschreden en daarom veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €500 aan appellante. Daarnaast wordt het UWV veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 17 oktober 2019 wordt gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, het beroep tegen het besluit van 17 december 2021 wordt ongegrond verklaard, en het UWV wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €500 wegens overschrijding van de redelijke termijn.