ECLI:NL:CRVB:2020:2682
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging toeslag op grond van kostendelersnorm in de Toeslagenwet
Appellant ontvangt sinds 2002 een WAO-uitkering en een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW). In 2016 werd deze toeslag verlaagd vanwege de toepassing van de kostendelersnorm, omdat appellant een woning deelt met zijn broer en diens gezin. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze verlaging ongegrond, omdat appellant niet voldeed aan de uitzonderingsregels en onvoldoende aannemelijk maakte dat de verlaging tot een buitensporig zware last leidde.
In hoger beroep betoogde appellant dat de verlaging disproportioneel is, mede vanwege medische kosten die niet worden vergoed. De Raad overwoog dat de toeslag als eigendom in de zin van artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM moet worden aangemerkt en dat de inmenging door de kostendelersnorm bij wet is voorzien. De vraag of sprake is van een buitensporig zware last moet individueel worden beoordeeld.
Appellant slaagde er niet in met objectieve en verifieerbare gegevens aan te tonen dat zijn situatie onhoudbaar is. De Raad bevestigde dat de verlaging van de toeslag met circa €60 netto per maand gerechtvaardigd is en dat de door appellant aangevoerde medische kosten onvoldoende onderbouwd waren. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep werd afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de verlaging van de toeslag op grond van de kostendelersnorm wordt bevestigd.