ECLI:NL:CRVB:2020:2203
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening boetebesluit UWV wegens niet-naleving inlichtingenplicht WW-uitkering
Appellant ontving een WW-uitkering die werd ingetrokken vanwege het niet doorgeven van werkzaamheden bij een werkgever. Het UWV legde een boete op van €24.006,14, die later werd herzien tot €7.800,- op basis van vuistregels voor verwijtbaarheid en aflossing.
De rechtbank had het beroep van appellant tegen het bezwaarbesluit van het UWV ongegrond verklaard, waarbij werd geoordeeld dat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd die herziening rechtvaardigden. Appellant stelde in hoger beroep dat zijn persoonlijke omstandigheden wel degelijk tot herziening moesten leiden en dat de boete onredelijk was vastgesteld.
De Centrale Raad van Beroep vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep tegen het bezwaarbesluit gegrond, maar oordeelt dat het nader besluit van het UWV, waarin de boete is verlaagd tot het strafmaximum van €7.800,-, niet evident onredelijk is. De Raad wijst het beroep tegen het nader besluit af en veroordeelt het UWV in de kosten van appellant.
Uitkomst: Het beroep tegen het bezwaarbesluit wordt gegrond verklaard en vernietigd, het beroep tegen het nader besluit wordt ongegrond verklaard, en het UWV wordt veroordeeld in de kosten van appellant.