ECLI:NL:CRVB:2019:660
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening boetebesluit socialezekerheidswetten wegens evident onredelijkheid
In deze zaak staat de vraag centraal of het boetebesluit van 12 juli 2013, opgelegd op grond van het zwaardere sanctieregime van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW en het Boetebesluit 2013, herzien moet worden. Het oorspronkelijke boetebesluit legde een boete van € 3.303,04 op wegens schending van de inlichtingenverplichting over de periode 2008-2013.
De Raad constateert dat het boeteregime fundamentele gebreken vertoont, waaronder het ontbreken van differentiatie naar ernst en verwijtbaarheid en het opleggen van boetes hoger dan de strafrechtelijke maxima. Het ontbreken van overgangsrecht voor in rechte vaststaande boetebesluiten leidt tot onaanvaardbare verschillen en schending van het lex mitior-beginsel.
De Raad formuleert vuistregels voor herzieningsverzoeken: indien de boete al volledig is betaald, is herziening in beginsel niet nodig tenzij de boete hoger was dan het strafrechtelijke maximum; indien de boete nog niet volledig is betaald, is herziening aangewezen met een boetebedrag gerelateerd aan verwijtbaarheid en strafrechtelijk maximum.
In casu had appellante op het moment van het herzieningsverzoek slechts € 879,18 betaald, minder dan 50% van het boetebedrag en minder dan het strafrechtelijke maximum. De Raad stelt de boete vast op € 1.651,52, vernietigt het bestreden besluit en wijst het verzoek tot herziening toe. Tevens wordt het Uwv veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente en proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening van het boetebesluit wordt toegewezen en het boetebedrag vastgesteld op € 1.651,52.