ECLI:NL:CRVB:2020:2062
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging voortzetting WGA-vervolguitkering ondanks betwisting arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als senior informatierechercheur, raakte arbeidsongeschikt na een verkeersongeval in 2009. Het UWV kende haar een WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35 tot 80%. Na bezwaar en beroep handhaafde het UWV dit besluit. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de medische beperkingen en functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 3 oktober 2014 juist waren vastgesteld.
In hoger beroep betwistte appellante de mate van arbeidsongeschiktheid en stelde zij dat zij recht had op een IVA-uitkering. Zij overlegde aanvullend medisch bewijs, waaronder een qEEG-rapport. De Raad benoemde een onafhankelijke neuroloog als deskundige, die concludeerde dat er geen medisch substraat was voor volledige arbeidsongeschiktheid en dat de klachten niet neurologisch verklaarbaar waren. De Raad volgde dit oordeel en bevestigde dat de belastbaarheid van appellante niet werd overschreden.
Daarnaast verzocht appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad oordeelde dat de procedure van vijf jaar en acht maanden de redelijke termijn met één jaar en acht maanden overschreed, wat leidde tot een schadevergoeding van €2.000,-. De Staat werd veroordeeld tot betaling van €1.900,- en het UWV tot €100,-. Tevens werden proceskosten verdeeld tussen Staat en UWV.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af, waarbij de voortzetting van de WGA-vervolguitkering op basis van 35-80% arbeidsongeschiktheid werd gehandhaafd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de voortzetting van de WGA-vervolguitkering op basis van 35-80% arbeidsongeschiktheid en kent een schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn.