ECLI:NL:CRVB:2020:1742
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering kinderbijslag wegens ontbreken duurzame band met Nederland in 2017
Appellante, met de Surinaamse nationaliteit, vroeg kinderbijslag aan voor het vierde kwartaal van 2017. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees de aanvraag af omdat zij op de peildatum 1 oktober 2017 geen ingezetene van Nederland was. Appellante verbleef toen nog maar kort in Nederland, beschikte niet over een duurzaam tot haar beschikking staande woonruimte en had geen duurzame persoonlijke band met Nederland.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat de fiscale criteria voor woonplaats meer gevolgd moesten worden en dat het ontbreken van zelfstandige woonruimte niet doorslaggevend mocht zijn. De Raad oordeelde echter dat de rechtbank terecht de criteria van de Hoge Raad hanteerde, waarbij een duurzame band van persoonlijke aard centraal staat.
De Raad benadrukte dat het kortdurende verblijf en het ontbreken van een duurzame woonruimte op de peildatum doorslaggevend zijn. De overige omstandigheden, zoals inschrijving in de basisregistratie personen en het ontvangen van een uitkering, vonden na de peildatum plaats en konden niet leiden tot ingezetenschap op 1 oktober 2017.
Daarom was appellante niet verzekerd op grond van de Algemene Kinderbijslagwet voor het vierde kwartaal van 2017 en had zij geen recht op kinderbijslag. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van kinderbijslag over het vierde kwartaal van 2017 bevestigd.