ECLI:NL:CRVB:2020:1738
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling mate arbeidsongeschiktheid en passendheid functies volgens Wet WIA
Appellant, voormalig filiaalmanager, meldde zich ziek met somatische en psychische klachten en ontving een WIA-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 52,85%. Na bezwaar werd dit percentage verhoogd naar 79,65% op basis van medische en arbeidsdeskundige rapporten.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en dat de functies passend waren. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn ernstige depressie onvoldoende was erkend en dat de functies, met name huishoudelijk medewerker, niet passend waren vanwege sociale beperkingen. Tevens betwistte hij de indexering van het maatmanloon.
De Raad concludeert dat de medische beperkingen adequaat in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) zijn verwerkt, inclusief sociale interacties. De functies zijn passend geacht, ook gezien de aard van het werk en de beperkingen. De indexering van het maatmanloon is correct toegepast volgens het Schattingsbesluit. Het hoger beroep faalt en de eerdere uitspraak wordt bevestigd, waarbij het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
Uitkomst: De mate van arbeidsongeschiktheid is terecht vastgesteld op 79,65% en de functies zijn passend; het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.