Uitspraak
18.4650 WIA
OVERWEGINGEN
alhet loon ontvangen in het refertejaar (dus niet louter om het loon uit de laatste dienstbetrekking).”
Centrale Raad van Beroep
Appellante trad op 16 augustus 2013 in dienst en viel op 23 oktober 2013 wegens ziekte uit. Zij vroeg een WIA-uitkering aan, waarbij het UWV haar dagloon vaststelde op basis van loon uit de referteperiode. Appellante maakte bezwaar tegen de berekening, stellende dat ook inkomsten uit werkzaamheden als bijlesdocente en buitengriffier meegenomen moesten worden en dat de referteperiode anders moest lopen.
Het UWV verklaarde het bezwaar deels gegrond en stelde het dagloon bij, maar liet de genoemde inkomsten buiten beschouwing omdat daarop geen sociale verzekeringspremies werden ingehouden en deze dus niet als loon in de zin van de wet gelden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij zij benadrukte dat de wettelijke berekeningswijze van het dagloon gerespecteerd moet worden en dat de berekening geen onredelijk resultaat oplevert.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten en voerde aan dat het dagloon alleen op het loon uit haar laatste dienstbetrekking gebaseerd moest worden. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de inkomsten als bijlesdocente en buitengriffier terecht niet als loon zijn aangemerkt en dat de startersregeling correct is toegepast. De Raad bevestigde dat het Dagloonbesluit en de Wet WIA correct zijn toegepast en dat het dagloon een juiste weerspiegeling vormt van het welvaartsniveau van appellante.
Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het WIA-dagloon van appellante correct is vastgesteld en wijst het hoger beroep af.