ECLI:NL:CRVB:2020:1051
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van WW-dagloonberekening bij meerdere dienstbetrekkingen en inkomensverrekening
Appellant, werkzaam bij twee werkgevers met meerdere dienstbetrekkingen, ontving een WW-uitkering waarvan het dagloon werd vastgesteld op het maximumdagloon. Hij stelde dat de berekening van het dagloon volgens artikel 5 van Pro het Dagloonbesluit onjuist was, omdat het loon over de referteperiode werd gedeeld door 261 dagen, terwijl het werkloosheidsdienstverband slechts vijf maanden besloeg. Hierdoor zou het loondervingsbeginsel worden geschonden en het eigendomsrecht onrechtmatig worden aangetast.
De rechtbank had het bezwaar van appellant ongegrond verklaard en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelt dat de wettelijke systematiek van inkomensverrekening en dagloonvaststelling, zoals neergelegd in artikel 47 van Pro de WW en artikel 5 van Pro het Dagloonbesluit, correct is toegepast. Er is geen aanleiding om artikel 5 buiten Pro toepassing te laten, ook niet voor verzekerden met meerdere dienstbetrekkingen.
Voorts wijst de Raad het beroep op artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens af, omdat er geen sprake is van ontneming van een bestaand recht of legitieme verwachting. Het verzoek om vergoeding van schade wordt eveneens afgewezen. De Raad bevestigt daarmee de aangevallen uitspraak en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.