Appellante, geboren in 1932 en lijdend aan de ziekte van Werlhoff, psoriasis en artrose, ontving feitelijk drieënhalf uur huishoudelijke ondersteuning per week. Het college had een ondersteuningsarrangement vastgesteld met een budget voor huishoudelijke verzorging, maar appellante maakte bezwaar tegen de omvang hiervan.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar appellante voerde in hoger beroep aan dat de ondersteuning onvoldoende was, mede door haar progressieve aandoeningen en de noodzaak van extra hygiëne vanwege bloedingen en wonden.
De Raad oordeelt dat het bestreden besluit onvoldoende concreet is over de omvang van de aanspraak op huishoudelijke ondersteuning. Gelet op de omstandigheden, waaronder de grootte van de woning en de medische situatie van appellante, acht de Raad vierenhalf uur per week huishoudelijke ondersteuning passend.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en het eerdere besluit, stelt de aanspraak vast op vierenhalf uur per week en veroordeelt het college in de proceskosten en griffierechten.