ECLI:NL:CRVB:2019:4158
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens gezamenlijke huishouding zonder bijzondere omstandigheden
Appellante heeft bijstand aangevraagd op grond van de Participatiewet, waarbij zij verklaarde samen te wonen met haar partner en twee meerderjarige zonen. Het dagelijks bestuur heeft de aanvraag afgewezen op basis van het onweerlegbaar rechtsvermoeden dat bij samenwoning met partner en gezamenlijke kinderen sprake is van een gezamenlijke huishouding.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat de relatie met haar partner duurzaam ontwricht was en dat zij feitelijk geen gezamenlijke huishouding voerde. Zij stelde geen financiële bijdrage te ontvangen en geen gezamenlijke goederen te delen. De Raad stelde vast dat appellante wel inkomsten ontving van haar partner en zonen en dat zij geen objectieve bewijzen had geleverd voor de ontwrichting.
De Raad oordeelde dat het onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding van toepassing blijft en dat appellante daarom geen zelfstandig recht op bijstand heeft. Ook het beroep op het individualiseringsbeginsel en artikel 16 van Pro de Participatiewet slaagde niet. De aangevallen uitspraken van de rechtbank werden bevestigd en de hoger beroepen afgewezen.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand en bijzondere bijstand wordt afgewezen omdat appellante geacht wordt een gezamenlijke huishouding te voeren zonder bijzondere omstandigheden.