ECLI:NL:CRVB:2002:AE0165
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Bevestiging gezamenlijke huishouding en toepassing onweerlegbaar rechtsvermoeden bij bijstandsuitkering
Appellant stelde beroep in tegen het besluit van het College van burgemeester en wethouders van Dordrecht om zijn bijstandsuitkering te beëindigen wegens het aannemen van een gezamenlijke huishouding met [C.]. De kern van het geschil betrof de uitleg en toepassing van artikel 3, vierde lid, van de Algemene bijstandswet (Abw), waarin een onweerlegbaar rechtsvermoeden wordt gehanteerd bij het vaststellen van een gezamenlijke huishouding.
De rechtbank had reeds geoordeeld dat appellant en [C.] hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, mede omdat de woonruimte van appellant geen eigen toegang had en hij voorzieningen van [C.] gebruikte. Tevens werd het onweerlegbaar rechtsvermoeden toegepast, wat inhoudt dat bij het voldoen aan bepaalde objectieve criteria geen tegenbewijs mogelijk is. Appellant voerde aan dat dit vermoeden strijdig is met het recht op een eerlijk proces (artikel 6 EVRM Pro), maar dit werd door de rechtbank en nu ook door de Raad verworpen.
De Raad benadrukte dat het vermoeden gebaseerd is op twee objectief vast te stellen feiten en dat belanghebbenden de mogelijkheid hebben om het bestaan van een gezamenlijke huishouding te betwisten en bewijs aan te dragen. In deze zaak was appellant niet geslaagd in het leveren van voldoende tegenbewijs. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees erop dat er geen omstandigheden waren die een afwijkende beoordeling van het recht op bijstand rechtvaardigen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de bijstandsuitkering bevestigd.