Uitspraak
18 1937 PW, 18/1938 PW
20 maart 2018, 17/2120 en 17/2122 (aangevallen uitspraak)
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
2 september 2016.
1 januari 2015 tot 1 juli 2016 tot een bedrag van € 21.728,67 van haar teruggevorderd. Bij afzonderlijk besluit van 28 oktober 2016 (besluit 2) heeft het college hetzelfde bedrag mede van appellant teruggevorderd.
21 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1370). Als twee personen ieder over een woning beschikken, moet voor ieder afzonderlijk worden beoordeeld in welke van die woningen hij zijn hoofdverblijf heeft. Het hoofdverblijf is in die woning waar het zwaartepunt van het persoonlijk leven van de betrokkene is.
6 juli 2017 in de ochtend heeft appellante het volgende verklaard: “U vraagt nu specifiek door op de omvang van het verblijf van [voornaam] bij mij. U geeft aan dat er in verschillende perioden waarnemingen of observaties zijn gedaan en dat [voornaam] in die perioden zowel op maandag, dinsdag, woensdag, donderdag en vrijdag bij mij in Drachten wordt gezien. Ik heb nu begrepen dat u naar mijn woonsituatie hebt gekeken en ik ontken ook niet dat [voornaam] veel bij mij is. Het klopt dat [voornaam] en ik in onze vrije tijd in hoofdzaak bij elkaar zijn. Volgens mij heb ik dat verhaal ook wel verteld aan de gemeente toen ik daar een verklaring af moest leggen. Ik heb niet gezegd dat ik 7 nachten met [voornaam] slaap maar feitelijk is dat wel zo. Het bijzondere ervan is dat [voornaam] en ik samen maximaal 3 tot 4 nachten in de week samen slapen in Drachten maar ik die andere 3 tot 4 nachten samen met hem slaap in [woonplaats] of als de camping open is, op de camping.”Op 6 juli 2017 in de middag heeft appellante het volgende verklaard: “U confronteert mij nu met mijn WhatsApp-gesprekken in december 2015 toen de gemeente bij mij voor mijn deur stond. Ik geef nu toe dat ik willens en wetens wist dat ik fout handelde en dat ik niet goed bezig was met de uitkering en mijn samenzijn met [voornaam] . Ik wilde [voornaam] niet kwijt en ook mijn kinderen niet kwijt. Vanaf januari 2015 zijn [voornaam] en ik hoofdzakelijk bij elkaar en dat is een keer twee weken en een keer een week onderbroken geweest. Ik wil morgen uitleggen waarom ik dit verzwegen heb voor de gemeente.” Op 7 juli 2016 heeft appellante nog eens bevestigd dat zij nu anderhalf jaar samenwoont met appellant.
9 juni 2017 van de overbuurman heeft niet de waarde die appellanten daaraan hechten. De verklaring is achteraf opgesteld, niet onderbouwd met verifieerbare gegevens en betreft bovendien niet de hier te beoordelen periode. Wat appellanten hebben aangevoerd over de verklaringen van de ex-partner van appellante is niet van belang, alleen al niet omdat het bestreden besluit niet mede op zijn verklaring is gebaseerd.
27 juni 2016 van de voormalig medewerker gebiedsteam gemeente Smallingerland en de onder meer aan hem gerichte e-mailberichten van 17 november 2014 en 4 september 2015. Volgens appellanten volgt daaruit dat appellante haar relatie met appellant continu aan het college heeft doorgegeven.