Uitspraak
17.3979 WAO
OVERWEGINGEN
BESLISSING
E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van C.M. van de Ven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2019.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving een WAO-uitkering en werkte daarnaast bij een werkgever tot zijn pensioen op 20 augustus 2015. Na beëindiging van het dienstverband ontving hij een bruto vergoeding van € 2.443,76 voor niet opgenomen vakantiedagen op grond van artikel 7:641 BW Pro. Het Uwv verrekende dit bedrag met de WAO-uitkering en stelde vast dat appellant te veel uitkering had ontvangen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de vergoeding fiscaal als loon uit dienstbetrekking wordt aangemerkt en daarom als inkomen in de zin van artikel 44 WAO Pro geldt. Appellant stelde in hoger beroep dat het recht op de vergoeding pas na het dienstverband ontstond en dat deze daarom niet op de WAO-uitkering verrekend mocht worden.
De Raad oordeelde dat de vergoeding direct verband houdt met het beëindigde dienstverband en dat het loon geacht wordt te zijn genoten in het aangiftetijdvak waarin de werkgever de opgave deed. Omdat appellant in de periode tot 21 augustus 2015 recht had op WAO-uitkering, mocht het Uwv de vergoeding in mindering brengen. Een analoge toepassing van het AIB was niet aan de orde en het beroep op de niet-korting van de AOW-uitkering faalde.
Het hoger beroep werd verworpen, de aangevallen uitspraak bevestigd en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: De vergoeding voor niet opgenomen vakantiedagen mag terecht worden verrekend met de WAO-uitkering op grond van artikel 44 WAO.