ECLI:NL:CRVB:2019:3167

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 oktober 2019
Publicatiedatum
4 oktober 2019
Zaaknummer
17/1010 MAW-W
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen behandelend rechter in bestuursrechtelijke procedure

Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de behandelend rechter tijdens een zitting in een hoger beroepprocedure tegen de minister van Defensie. Het wrakingsverzoek was gebaseerd op de afwijzing van een aanhoudingsverzoek door de rechter, waarbij verzoeker stelde dat hij niet over alle relevante stukken beschikte en daardoor in zijn procesvoering werd gehinderd.

De Centrale Raad van Beroep overweegt dat wraking alleen mogelijk is bij feiten of omstandigheden die de onpartijdigheid van de rechter aantasten. Procedurele beslissingen, zoals het niet schorsen van een zitting, kunnen nooit een grond voor wraking vormen. Ook de motivering van een procedurele beslissing kan dat niet, tenzij deze motivering objectief als blijk van vooringenomenheid kan worden gezien, wat hier niet het geval was.

De Raad concludeert dat het wrakingsverzoek ongegrond is en wijst het af. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. De beslissing is in het openbaar uitgesproken door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de behandelend rechter wordt afgewezen wegens gebrek aan gegronde aanwijzingen voor vooringenomenheid.

Uitspraak

17/1010 MAW-W
Datum uitspraak: 3 oktober 2019
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door
[Verzoeker] (verzoeker)
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
13 december 2016, 15/8814, in het geding tussen verzoeker en de minister van Defensie.
De Raad heeft het hoger beroep op 29 augustus 2019 ter zitting behandeld. Behandelend rechter was mr. H. Lagas.
Tijdens de zitting heeft verzoeker de behandelend rechter gewraakt.
De behandelend rechter heeft bij brief van 11 september 2019 op de wraking gereageerd en meegedeeld daarin niet te berusten.
Verzoeker en de behandelend rechter zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van de Raad op 26 september 2019. Verzoeker is verschenen. De behandelend rechter is, zoals aangekondigd, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. Artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Blijkens de memorie van toelichting bij artikel 8:15 van Pro de Awb is de ratio van het instituut van wraking gelegen in het waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid.
2. Aan het verzoek om wraking heeft verzoeker ten grondslag gelegd dat het aanhoudingsverzoek dat hij ter zitting heeft gedaan ten onrechte is afgewezen. Verzoeker stelt dat hij, omdat hij niet kan beschikken over alle voor de procedure relevante stukken, wordt gehinderd in een eerlijke procesvoering. Uit de afwijzing van het verzoek kan, gelet op deze omstandigheid, volgens hem vooringenomenheid worden afgeleid.
3.1.
Een wrakingsgrond moet zijn gelegen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op (de persoon van) de rechter die de zaak behandelt. Bij een beoordeling van een beroep op het ontbreken van de onpartijdigheid van de rechter dient voorts het uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9141).
3.2.
De beslissing om niet over te gaan tot schorsing van de zitting van
29 augustus 2019 is een zogeheten procedurele beslissing. Procedurele beslissingen kunnen als zodanig nooit grond vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van een procedurele beslissing. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Ook de motivering van een procedurele beslissing kan geen grond vormen voor wraking, ook niet indien het zou gaan om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de procedurele beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413). Van dat laatste is in dit geval geen sprake.
4. Het voorgaande betekent dat het verzoek om wraking moet worden afgewezen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om wraking van de behandelend rechter af.
Deze beslissing is gegeven door E. Dijt als voorzitter en W.H. Bel en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van V.Y. van Almelo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2019.
(getekend) E. Dijt
(getekend) V.Y. van Almelo
JvC