ECLI:NL:CRVB:2019:288
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp onder Wmo 2015
Appellante, geboren in 1934 en woonachtig met haar echtgenoot, heeft beperkingen bij het zelf verrichten van huishoudelijke taken en ontving 5,5 uur per week huishoudelijke hulp op grond van de Wmo. Zij vroeg een maatwerkvoorziening aan, die door het college werd afgewezen omdat de algemene voorziening huishoudelijke hulp passend en toereikend werd geacht.
De rechtbank Noord-Nederland oordeelde aanvankelijk dat het college onvoldoende onderzoek had verricht, maar het college heeft daarna nader onderzoek gedaan, waaronder huisbezoeken met betrokkenheid van de thuiszorgorganisatie en mantelzorger. De rechtbank concludeerde dat het college hiermee aan zijn onderzoeksverplichting had voldaan en het gebrek in het besluit was hersteld.
In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank bevestigd. De Raad stelde vast dat het college aanwezig was bij de huisbezoeken en dat appellante onvoldoende medewerking verleende om de omvang van de hulp vast te stellen. Het besluit van het college om de aanvraag af te wijzen is daarmee terecht en het hoger beroep slaagt niet.
De Raad liet buiten beschouwing een later besluit van het college om een persoonsgebonden budget toe te kennen voor een latere periode, omdat dit niet onder het bestreden besluit valt. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp wordt bevestigd.