Appellant ontving sinds 2003 bijstand en werd in het kader van een themacontrole onderzocht op bezit van onroerende zaken in Turkije. Bureau Buitenland voerde onderzoek uit en stelde vast dat appellant bouwgrond in Turkije bezat die hij niet had gemeld bij het college. Het college schortte de bijstand op en trok deze later in wegens het niet verstrekken van gevraagde bankafschriften en het schenden van de inlichtingenplicht.
Appellant voerde onder meer aan dat het onderzoek discriminatoir was, dat het onderzoek onrechtmatig was uitbesteed, en dat het onderzoek inbreuk maakte op zijn privacy. Deze gronden werden verworpen. De Raad oordeelde dat de themacontrole een gefaseerd onderzoek was naar alle bijstandsgerechtigden en dat het uitbesteden van onderzoek in Turkije aan Bureau Buitenland geen ongeoorloofde uitbesteding van kerntaken betrof.
De Raad bevestigde dat appellant de gevraagde bankafschriften niet binnen de hersteltermijn had verstrekt en dat het college daarom bevoegd was de bijstand in te trekken. Verder werd vastgesteld dat appellant de inlichtingenplicht had geschonden door het bezit en de verkoop van de bouwgrond niet te melden. De waarde van de bouwgrond overschreed de vermogensgrens, waardoor appellant geen recht had op bijstand in de betreffende periodes.
De Raad vernietigde het bestreden besluit gedeeltelijk omdat het terugvorderingsbedrag niet correct was vastgesteld. Het bedrag werd vastgesteld op €54.701,-. Verzoeken van appellant om terugvordering te matigen vanwege persoonlijke omstandigheden werden afgewezen. Het college werd veroordeeld in de proceskosten van appellant voor het hoger beroep tegen het terugvorderingsbesluit.