ECLI:NL:CRVB:2018:2912
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet verstrekken buitenlandse vermogensgegevens
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de WWB over twee perioden. Het dagelijks bestuur startte een onderzoek naar vermogen in het buitenland, waarbij buitenlandse gegevens over onroerend goed in Turkije werden verzameld. Appellanten werden gevraagd deze gegevens te verstrekken, maar deden dit niet. Het dagelijks bestuur trok daarop de bijstand in en vorderde te veel betaalde bedragen terug.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Appellanten voerden in hoger beroep onder meer aan dat het onderzoek discriminerend was en dat het bewijs onrechtmatig was verkregen, onder meer in strijd met het EVRM en Turkse wetgeving. De Raad oordeelde dat het onderscheid in het onderzoek gerechtvaardigd was en dat het gebruik van het buitenlandse bewijs rechtmatig was volgens Nederlands recht, ongeacht de rechtmatigheid volgens Turks recht.
De Raad stelde dat de inbreuk op het privéleven proportioneel en subsidiariteit was en dat het bewijs niet in strijd was met een eerlijk proces. Ook internationale regels beschermen niet de belangen van appellanten maar die van de Turkse staat. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de bijstand en de terugvordering wegens het niet verstrekken van buitenlandse vermogensgegevens.