Appellant was chief operating officer bij een failliete vennootschap en vorderde van het Uwv een overname van loonbetalingsverplichtingen, waaronder achterstallig loon, bonussen en onkosten. Het Uwv kende aanvankelijk een deel toe, maar wees de overige vorderingen af wegens gerede twijfel over de juistheid en volledigheid van de arbeidsovereenkomst.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond wegens motiveringsgebrek, maar handhaafde de rechtsgevolgen van het besluit omdat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zijn vorderingen niet aan gerede twijfel onderhevig waren. In hoger beroep stelde appellant dat zijn vorderingen duidelijk en concreet waren onderbouwd met arbeidsovereenkomst, salarisvoorstel en verklaringen van een bestuurder.
De Raad oordeelde dat appellant aannemelijk had gemaakt dat zijn vorderingen duidelijk aanwijsbaar en niet aan gerede twijfel onderhevig zijn. De Raad bepaalde de omvang van de uitkering op grond van de Werkloosheidswet, wees de sign on bonus en performance bonus af wegens toepassingscriteria en gerede twijfel, en veroordeelde het Uwv tot betaling van wettelijke rente en proceskosten.
De uitspraak vervangt het vernietigde besluit en bevestigt dat het Uwv aan appellant een faillissementsuitkering moet betalen van € 100.193,07 minus reeds betaalde bedragen, met wettelijke rente vanaf 6 juni 2016 en vergoeding van proceskosten en griffierecht.