ECLI:NL:CRVB:2016:1745
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering faillissementsuitkering wegens ontbreken loonaanspraken na stopzetting loonbetaling
Appellant was sinds 2003 in dienst bij zijn werkgeefster en viel in januari 2011 wegens ziekte uit. Vanaf 19 juni 2011 werd het loon niet meer doorbetaald vanwege het niet nakomen van re-integratieverplichtingen. De werkgeefster vroeg een ontslagvergunning aan, die werd verleend, maar niet gebruikt. Na faillissement van de werkgeefster werd de arbeidsovereenkomst opgezegd. Appellant vroeg een faillissementsuitkering aan, die door het UWV werd geweigerd wegens onvoldoende inspanningen om loon te verkrijgen.
De rechtbank vernietigde dit besluit omdat het UWV een verkeerde grondslag had gebruikt, maar wees de uitkering alsnog af omdat appellant geen loonaanspraken had. In hoger beroep betwistte appellant dit en stelde dat hij alles had gedaan om loon te verkrijgen en dat de loonstop verband hield met ontslag. De Raad oordeelde dat appellant geen loonaanspraken had vanaf 19 juni 2011, dat de loonstop terecht was vanwege niet meewerken aan re-integratie en dat appellant onvoldoende had gedaan om loonbetaling te verkrijgen.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat appellant terecht geen faillissementsuitkering ontving. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad bevestigt dat appellant vanaf 19 juni 2011 geen loonaanspraken had en de faillissementsuitkering terecht is geweigerd.