ECLI:NL:CRVB:2019:2001
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- E. Dijt
- J.S. van der Kolk
- R.B. Kleiss
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering herziening dagloon WAO-uitkering wegens ontbreken toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellant ontvangt sinds 26 april 2000 een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na een periode zonder uitbetaling vanwege inkomsten uit arbeid, werd de uitkering per 30 mei 2012 hervat met een vastgesteld dagloon van €72,22. Appellant betwistte dit dagloon en vorderde herziening op grond van vermeende toegenomen arbeidsongeschiktheid en onjuiste toepassing van anticumulatie.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het dagloon slechts in bijzondere gevallen kan worden herzien, bijvoorbeeld bij een tweede WAO-recht, wat hier niet aan de orde was. Het standpunt van appellant dat rekening had moeten worden gehouden met verdiensten tussen 2008 en 2012 werd verworpen omdat dit geen nieuwe feiten of omstandigheden betrof.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de WAO-uitkering ten onrechte niet was ingetrokken na vijf jaar anticumulatie en dat het dagloon opnieuw berekend had moeten worden vanwege toegenomen arbeidsongeschiktheid. De Raad oordeelde dat deze punten buiten het bestreden besluit vielen en dat het dagloon niet ter discussie stond omdat de mate van arbeidsongeschiktheid sinds 2000 onveranderd bleef.
De Raad concludeerde dat appellant niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 40, eerste lid, van de WAO voor herziening van het dagloon, omdat geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid. Het hoger beroep faalt en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de vaststelling van het dagloon blijft ongewijzigd vanwege het ontbreken van toegenomen arbeidsongeschiktheid.