ECLI:NL:CRVB:2019:1712
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in AOW-zaak
Betrokkene had een aanvraag voor een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet ingediend, die door de Sociale verzekeringsbank (Svb) werd afgewezen. Tegen dit besluit werd bezwaar gemaakt, dat ongegrond werd verklaard. Betrokkene stelde vervolgens beroep in bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde maar de Svb veroordeelde tot betaling van € 2.000,- schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank oordeelde ambtshalve omdat betrokkene geen professionele gemachtigde had en mogelijk de Nederlandse taal onvoldoende machtig was. De Svb stelde in hoger beroep dat de rechtbank buiten de grenzen van het geding was getreden door ambtshalve de overschrijding te beoordelen.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat betrokkene tijdens de rechtbankprocedure geen beroep had gedaan op overschrijding van de redelijke termijn en dat volgens vaste rechtspraak een verzoek om schadevergoeding uiterlijk op de zitting moet worden gedaan. Omdat de redelijke termijn al ruimschoots was overschreden, had de rechtbank niet ambtshalve mogen oordelen. Daarom werd het hoger beroep van de Svb gegrond verklaard en de schadevergoeding vernietigd.
De Raad besloot dat de Svb geen schadevergoeding hoeft te betalen en wees een veroordeling in proceskosten af. De uitspraak werd gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum op 17 mei 2019.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de veroordeling tot betaling van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.