ECLI:NL:CRVB:2016:3743
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en beoordeling van LFNP-functie en vergoeding wegens termijnoverschrijding
Appellant, werkzaam bij de politie, maakte bezwaar tegen een besluit van de korpschef over de toekenning en overgang naar een LFNP-functie, waarbij de rechtbank het bezwaar ongegrond verklaarde. Appellant stelde hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad constateerde dat de rechtbank de zaak ten onrechte zonder nadere zitting had afgedaan nadat nieuwe stukken waren toegevoegd, in strijd met artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Dit leidde echter niet tot terugwijzing, omdat de nadelige gevolgen in hoger beroep konden worden hersteld.
Inhoudelijk onderschreef de Raad het oordeel van de rechtbank over de juiste matching van de LFNP-functie en verwierp het beroep op de hardheidsclausule en de bestuurlijke lus.
Verder oordeelde de Raad dat de redelijke termijn voor behandeling van bezwaar en beroep met drie dagen was overschreden, waardoor appellant recht had op een immateriële schadevergoeding van €500,-. De rechtbank had dit niet ambtshalve beoordeeld, wat de Raad corrigeerde.
De Staat der Nederlanden werd veroordeeld tot betaling van deze vergoeding en de proceskosten van appellant, terwijl het griffierecht werd terugbetaald.
Uitkomst: De Staat der Nederlanden is veroordeeld tot betaling van €500,- schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.