Uitspraak
24 maart 2016, 14/3540 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Centrale Raad van Beroep
Appellant had bezwaar gemaakt tegen een besluit van de korpschef tot toekenning van een functie, waarna de rechtbank het beroep ongegrond verklaarde. In hoger beroep klaagde appellant niet over de inhoud van het besluit, maar verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Raad beoordeelde dat de totale bezwaar- en beroepsprocedure ruim twee jaar duurde, waarmee de redelijke termijn met twee maanden werd overschreden. Deze overschrijding was geheel toe te rekenen aan de bestuursrechter. De rechtbank had ambtshalve moeten toetsen of de redelijke termijn was overschreden en een vergoeding moeten toekennen, maar had dit nagelaten.
De Centrale Raad van Beroep vernietigde daarom het deel van de uitspraak waarin geen vergoeding was toegekend en kende alsnog een immateriële schadevergoeding van €500 toe. Tevens werd de Staat der Nederlanden veroordeeld tot betaling van de proceskosten en terugbetaling van het griffierecht.
Uitkomst: De Staat der Nederlanden is veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €500 wegens overschrijding van de redelijke termijn.