ECLI:NL:CRVB:2019:1477
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling hoger beroep inzake weigering opvang op grond van Wmo 2015 en buitenwettelijk gemeentelijk beleid
Appellant, een Poolse onderdaan, verzocht het college van burgemeester en wethouders van Den Haag om opvang, welke werd geweigerd op grond van het buitenwettelijk gemeentelijk beleid en de Wmo 2015.
De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie had vastgesteld dat appellant geen rechtmatig verblijf had in Nederland en moest vertrekken. Het bezwaar van appellant tegen de weigering van opvang werd door het college ongegrond verklaard, mede omdat appellant niet meewerkt aan terugkeer naar Polen en niet voldoet aan het gemeentelijk hulpverleningstraject Perspectywa.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat appellant geen recht had op opvang op grond van de Wmo 2015 of het buitenwettelijk beleid. In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt dat hij als EU-onderdaan recht heeft op opvang en dat zijn fysieke en psychische problematiek dit rechtvaardigen.
De Raad oordeelde dat zij onbevoegd is om te oordelen over het buitenwettelijk gemeentelijk beleid en zond dat deel van het hoger beroep door naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Voor het deel dat betrekking heeft op de Wmo 2015 verklaarde de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens onvoldoende procesbelang, aangezien appellant slechts een principieel belang had en onvoldoende concreet schade had gesteld.
De Raad benadrukte dat een nieuwe beoordeling mogelijk is als appellant in de toekomst daadwerkelijk dakloos wordt en opvang nodig heeft.
Uitkomst: Hoger beroep niet-ontvankelijk voor zover het betrekking heeft op de Wmo 2015 en onbevoegdheid voor het buitenwettelijk gemeentelijk beleid.