ECLI:NL:CRVB:2018:937
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling persoonsgebonden budget op grond van gewijzigde tabel AWBZ
Appellant, met een verstandelijke handicap en geïndiceerd voor zorgzwaartepakket VG04, ontving een persoonsgebonden budget (pgb) voor zorg thuis. Het Zorgkantoor stelde het pgb vast op basis van een gewijzigde tabel in bijlage 2 van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa), waarbij het budget voor begeleiding groep werd verlaagd van klasse 9 naar klasse 6.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het Zorgkantoor de hoogte van het pgb correct had berekend en dat de wijziging van de tabel geen wijziging van de indicatie betekende. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de wijziging in strijd was met de indicatie en het verbod van willekeur, en dat het pgb onvoldoende was om de benodigde zorg in te kopen.
De Raad oordeelde dat de wijziging van de tabel een deugdelijke grondslag vormt voor het besluit, mede gelet op de toelichting en berekeningen van het Zorgkantoor die aantonen dat het pgb-budget na wijziging meer in lijn is met het budget voor zorg in natura. Tevens concludeerde de Raad dat de wijziging niet in strijd is met artikel 6, derde lid, AWBZ, omdat appellant met het pgb de geïndiceerde zorg tegen een lagere prijs dient in te kopen. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de vaststelling van het pgb door het Zorgkantoor wordt bevestigd.