Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Centrale Raad van Beroep
Appellante heeft een verblijfsindicatie op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) en ontvangt zorg via een persoonsgebonden budget (pgb), dat is opgehoogd met een bedrag voor hulp bij het huishouden. Het college heeft de aanvraag voor verlenging van de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) afgewezen, omdat volgens artikel 2.3.5, zesde lid, Wmo 2015, cliënten met een Wlz-indicatie geen aanspraak maken op een maatwerkvoorziening onder de Wmo 2015.
Appellante voerde aan dat zij een modulair pakket thuis (MPT) ontvangt en daardoor onder de uitzondering van artikel 8.6a, aanhef en onder c, Wmo 2015 valt. De Raad oordeelt echter dat appellante onvoldoende heeft aangetoond dat zij zorg in natura via een MPT ontvangt, aangezien zij geen besluit van de Wlz-uitvoerder over een MPT heeft overgelegd.
De Raad benadrukt de duidelijke scheiding tussen de Wlz en de Wmo 2015 die de wetgever beoogt, waarbij het college wel bevoegd blijft om een maatwerkvoorziening te verstrekken, maar niet verplicht is. Het college heeft de aangevraagde voorziening in redelijkheid kunnen weigeren. Het hoger beroep wordt afgewezen en het verzoek om schadevergoeding wordt geweigerd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het college heeft terecht de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden geweigerd.