ECLI:NL:CRVB:2018:3933
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling afbakening Wmo 2015 en Wlz bij begeleiding participatie
De zaak betreft een hoger beroep van een cliënt die begeleiding bij participatie en sociaal vervoer op grond van de Wmo 2015 heeft aangevraagd, welke door het college werd afgewezen omdat zij een indicatie voor langdurige zorg (Wlz) heeft. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard, stellende dat het college op grond van artikel 2.3.5, zesde lid, Wmo 2015 niet gehouden is tot verstrekking.
De Centrale Raad van Beroep overweegt dat de wetgever een duidelijke scheiding tussen Wlz en Wmo 2015 heeft beoogd, waarbij cliënten met een Wlz-indicatie in beginsel geen aanspraak maken op Wmo-voorzieningen. Echter, het college heeft geen adequaat onderzoek verricht naar de feitelijke ondersteuningsbehoefte van appellante, zoals voorgeschreven in artikel 2.3.2 Wmo 2015 en artikel 3:2 Awb Pro.
De Raad stelt dat het college wel bevoegd was om een maatwerkvoorziening te verstrekken, maar dat het besluit niet kan blijven bestaan vanwege het ontbreken van een deugdelijk onderzoek naar de noodzaak, aard en omvang van de begeleiding. Het college dient een nieuwe beslissing te nemen, waarbij het onderzoek volledig wordt uitgevoerd en de belangen zorgvuldig worden afgewogen. Verzoek tot schadevergoeding wordt afgewezen wegens gebrek aan nadere besluitvorming.
De Raad veroordeelt het college in de proceskosten en bepaalt dat het griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en het college dient een nieuwe beslissing te nemen na adequaat onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte.