ECLI:NL:CRVB:2018:3743
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering WAO-uitkering wegens detentie zonder dringende redenen
Appellant ontving een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. Naar aanleiding van een melding van detentie heeft het UWV de uitkering ingetrokken met ingang van 26 mei 2013 en de onverschuldigd betaalde bedragen teruggevorderd over de detentieperiode van 24 april 2013 tot 20 november 2014.
Appellant maakte bezwaar tegen de intrekking, terugvordering en boete wegens schending van de inlichtingenplicht. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV verplicht was de uitkering in te trekken en terug te vorderen, omdat appellant zijn detentie niet had gemeld. Het beroep op dringende redenen en het vertrouwensbeginsel werd verworpen.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad stelde vast dat het UWV op grond van de WAO verplicht was de uitkering in te trekken en terug te vorderen. Het informatiesysteem van DJI ontslaat appellant niet van zijn meldingsplicht. Er waren geen dringende redenen om van terugvordering af te zien en de opgelegde boete werd als proportioneel beoordeeld.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van de WAO-uitkering en handhaaft de boete van €10,- wegens schending van de inlichtingenplicht.