Appellant ontving sinds 2009 een WIA-uitkering en werd in november 2014 gedetineerd. Het UWV beëindigde daarop de uitkering en legde appellant een waarschuwing op wegens het niet tijdig melden van zijn detentie. Appellant stelde dat het UWV al op de hoogte was via de Dienst Justitiële Instellingen (DJI) en dat hij niet in de onmogelijkheid verkeerde om de melding te doen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de meldingsplicht een persoonlijke verplichting is die niet vervalt door het bestaan van een meldingssysteem tussen DJI en UWV. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. Het meldingssysteem fungeert slechts als achtervang en ontslaat de verzekerde niet van zijn eigen inlichtingenplicht.
De Raad stelde vast dat appellant niet binnen een week na aanvang van de detentie had gemeld, terwijl die termijn redelijkerwijs haalbaar was. Ook een melding tijdens een procedure in december 2014 was te laat. Omdat er geen benadelingsbedrag was, werd volstaan met een waarschuwing. Het hoger beroep werd afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.